AAN DE TOP - I

Eenzaamheid

Hier komt een nog kortere beschrijving van het artikel. Kun je ook weghalen. De eerste alinea is te lang hiervoor.

Aan de top

I   Eenzaamheid
II   Identificatie
III  Verantwoordelijkheid  
IV  Hiërarchie  
V   De selectie-paradox 

Het hoort bij de functie, wordt gezegd. Eenzaamheid aan de top, een bekend gegeven, iets om je doorheen te zetten. Maar die manier van zeggen doet iets ongemerkt. Ze maakt er een gevoel van, iets persoonlijks, iets wat je overkomt en weer overgaat. Ofwel iets waar je niks aan kan doen. En dat is maar voor een deel waar. Wat begint als gevoel, is ook iets wat de positie zelf produceert, en iets wat meetbaar in je lichaam gebeurt. Die drie lagen hangen samen, en juist daarom is dit een van de krachten die het zwaarst wegen op niveau.

De cijfers zijn minder klein dan de stilte eromheen. Ongeveer de helft van de zittende CEO's zegt zich serieus eenzaam te voelen in de rol, en ruim zestig procent zegt dat het hun functioneren raakt. Bij wie voor het eerst de hoogste positie bekleedt, loopt dat op tot zeventig procent. Dat zijn geen mensen bij wie iets ontbreekt. Het is wat de positie met mensen doet, vrijwel ongeacht wie haar invult.

Wat de positie zelf doet

Begin bij iets herkenbaars. Hoe hoger je komt, hoe vaker de informatie die je bereikt onderweg al een keer door iemand is gewogen. Niet omdat mensen je voorliegen, maar omdat ze inschatten wat verstandig is om te zeggen tegen iemand met jouw positie. Die afweging maken ze voordat het gesprek begint, je ziet het niet gebeuren, en ze neemt toe naarmate je hoger zit. Het is de structuur zelf die dit doet, niet de mensen erin.

Tegelijk verandert wie er om je heen staat. Vroeg in een loopbaan is je netwerk dicht: veel mensen die elkaar ook onderling kennen, veel vanzelfsprekende wederkerigheid. Hogerop verandert dat van vorm. Je gaat groepen verbinden die zonder jou niet verbonden zijn. Dat geeft je overzicht en invloed, maar je raakt de overlappende, terloopse relaties kwijt waarin echte wederkerigheid zit. De positie geeft je toegang en isoleert je tegelijk. Dat is niet tegenstrijdig; het is dezelfde beweging.

En er is nog iets. In een topfunctie speel je onvermijdelijk een deel van de tijd een rol: zichtbaar, vertegenwoordigend, iemand die ergens voor staat. De ruimte om dat even niet te zijn, om niet de CEO of de voorzitter te zijn maar gewoon jezelf, wordt kleiner naarmate de functie zwaarder weegt. Dat is geen verlies van echtheid en geen zwakte. Het is wat de rol nu eenmaal van mensen vraagt.

Wat het lichaam ervan merkt

Hier wordt het concreet, en voor wie in cijfers denkt misschien onverwacht.

Je brein is gebouwd op de aanname dat er mensen in de buurt zijn die je vertrouwt. Als dat zo is, hoeft het minder hard te werken om gevaar in de gaten te houden; het deelt die taak als het ware met de mensen om je heen. Dat is geen beeldspraak. In een bekend experiment kregen mensen in een hersenscanner te horen dat ze een lichte schok konden verwachten, in drie situaties: alleen, terwijl ze de hand van een vreemde vasthielden, en terwijl ze de hand van hun partner vasthielden. Bij de partner zakte de activiteit in de alarmgebieden van het brein zichtbaar weg. Bij de vreemde een beetje. Alleen: volledig aan. En hoe beter de relatie, hoe sterker het effect.

Vertaal dat naar de top. Als die vertrouwde, gelijkwaardige aanwezigheid er structureel niet is, niet omdat er niemand is, maar omdat niemand echt buiten je belang staat, dan doet je brein dat bewaken voortdurend zelf. Dat verhoogt je basisniveau van spanning. Niet als een piek, maar als een grondtoon die nooit helemaal wegvalt en zich over jaren opbouwt, zonder dat er één moment is waarop het misgaat.

Wat hier telt is niet hoeveel mensen je spreekt, maar of de verbinding die je hebt klopt met wat je nodig hebt. Dat verschil is in het lichaam terug te zien. Het dagritme van je stresshormonen vlakt af, ontstekingswaarden lopen op, en je slaap wordt minder herstellend zonder dat je korter slaapt. Decennia onderzoek hebben dat in detail vastgelegd.

En het telt op. De grootste samenvatting van dit onderzoek, ruim driehonderdduizend mensen over tientallen studies, laat zien dat mensen met sterke sociale verbindingen vijftig procent meer kans hebben om een gegeven periode te overleven. Het gezondheidsrisico van langdurige isolatie is daarin vergelijkbaar met roken, en groter dan dat van overgewicht. De Amerikaanse Surgeon General vatte het in 2023 samen in een beeld dat sindsdien is blijven hangen: qua schade aan je gezondheid vergelijkbaar met vijftien sigaretten per dag.


Het venijn zit ergens anders. Dit werkt ook als je het zelf niet als eenzaamheid herkent. Wie de leegte wegzet als normaal, als de prijs van de functie, heeft geen reden er iets mee te doen. Het lichaam stapelt de last op zonder dat er een alarm afgaat. De gewenning beschermt je niet. Ze is juist waar het misgaat.

Daar komt een vervelende terugkoppeling bij. De gevoeligheid voor wat anderen nodig hebben, het vermogen om mensen te lezen en aan te voelen, neemt aantoonbaar af onder langdurige macht. Niet omdat je karakter verandert, maar als een meetbaar effect op het brein. En hoe groter de afstand wordt, hoe sterker de neiging om alles zelf in de hand te houden, wat de afstand weer vergroot. Een lus die zichzelf voedt, zonder dat iemand er bewust voor kiest.

Waarom het niet vanzelf overgaat

Er is nog een laag, en die verklaart waarom dit niet oplost door simpelweg meer mensen te spreken.

Wie jarenlang intensief in één wereld werkt, een sector, een bestuurlijke omgeving, raakt doortrokken van de manier waarop die wereld denkt: de reflexen, de codes, wat er als belangrijk geldt. Dat maakt je effectief binnen die wereld, en tegelijk lastiger te volgen daarbuiten. Gesprekken met mensen buiten je vak kosten meer moeite, niet omdat zij minder scherp zijn, maar omdat jullie referentiekaders uit elkaar zijn gegroeid. Dat is geen hoogmoed; het is wat jarenlange specialisatie met iedereen doet.

Het gevolg is dat je omgeving niet alleen kleiner wordt, maar ook gelijkvormiger. Iedereen dichtbij deelt ongeveer dezelfde belangen en dezelfde blinde vlekken. Je krijgt vooral terug wat je zelf al dacht. Er speelt hier ook nog een tweede ding mee, namelijk dat mensen je minder gaan tegenspreken naarmate je hoger zit. Dat hangt met eenzaamheid samen, maar het is een eigen mechanisme, en het vierde essay gaat er apart op in.

Wat dit vraagt

Niets hiervan is een klacht of een uitnodiging tot zelfbeklag. Het zijn krachten die hun werk doen of je ze nu herkent of niet, en juist daarom verdienen ze aandacht.

De meeste mensen op niveau merken de gevolgen zonder de oorzaak te benoemen. Je werkt harder, beslist vaker alleen, leunt minder op anderen. Niet uit keuze, maar als optelsom van wat de positie met je doet. En wie het wegzet als de prijs van de functie, heeft geen manier meer om er iets aan te veranderen.

Daarom laat het zich vrij precies omschrijven wat voor gesprekspartner hier iets toevoegt. Niet iemand met een methode om beter met druk om te gaan. Wel iemand die buiten de filter staat, buiten de gelijkvormigheid van je netwerk, buiten de denkwereld van je vak, en die daardoor kan zeggen wat de mensen om je heen niet zeggen, of niet kunnen zeggen.

Dat vraagt twee dingen tegelijk. Diegene moet het niveau kennen, de aard van de beslissingen, het soort druk, omdat het gesprek anders niet komt bij de laag waar het om gaat. En diegene mag er geen belang bij hebben: geen plek in de hiërarchie, geen commercieel motief, niets wat afhangt van of jij tevreden bent.

Het zijn geen hoge eisen. Het is de minimale voorwaarde voor een gesprek dat aan de top structureel ontbreekt. Je brein krijgt het anker terug dat de last verlicht, en je omgeving geeft je op één plek iets terug wat ze je verder niet meer gaf: een antwoord dat je niet al wist.

Dit is de eerste van vijf krachten die het functioneren aan de top bepalen. Eenzaamheid voel je uiteindelijk, en op een gegeven moment kun je het benoemen. De volgende kracht ligt lastiger, juist omdat je haar niet voelt aankomen: identificatie, wat er gebeurt wanneer je werk niet langer iets is wat je doet, maar iets wat je bent geworden.